Good looks helpen, maar zou u op een politicus stemmen die u niet gelooft of vertrouwt?

Good Looks helpen om de verkiezingen te winnen. Dat zagen we destijds ook al bij JFK en Hans van Mierlo. Maar wat vooral telt is geloofwaardigheid en betrouwbaarheid. Want zeg eens eerlijk: zou u op een politicus stemmen die u niet gelooft en vertrouwt?

Je hoeft geen swingende Casanova te zijn om de verkiezingen te winnen, zei ik ooit tegen die oud-premier uit België waarover ik het in mijn vorige weblogje had. Het was Yves Leterme en hij had net glansrijk de verkiezingen gewonnen met een bijna ongeëvenaard aantal voorkeurstemmen van 800.000. Maar die voorkeurstemmen had hij in ieder geval niet aan zijn good looks te danken. Met zijn grijze pakken, zijn fletse gezicht en zijn melkboerenhondehaar kon je echt niet zeggen dat Yves Leterme een flitsende uitstraling had. Maar betrouwbaar en geloofwaardig, zo kwam hij wel over. Als je dan als politicus ook nog in een tijdsgewricht opkomt van onzekerheid waardoor de kiezer meer behoefte heeft aan een goede boekhouder die op de kleintjes let dan een tafelspringer met visionaire vergezichten, dan kun je het kennelijk zelfs met zo’n profiel tot premier schoppen. Hetzelfde zagen we in die periode trouwens ook in Nederland gebeuren met ene JP Balkenende.

De eerste indruk is vaak bepalend

You don’t have a second chance to make a first impression, zeggen de Amerikanen. Zo blijkt dat bij een eerste ontmoeting u en ik al na een fractie van een seconde een eerste indruk over iemand hebben. Uit onderzoek blijkt dat daar dikwijls helemaal niks van klopt, maar toch associëren we de eerste uiterlijke kenmerken van iemand meteen met een aantal karaktertrekken, zoals een doorzetter, standvastig, betrouwbaar, geloofwaardig, gedreven. Zijn dit niet precies de eigenschappen die veel mensen momenteel aan het GroenLinkse stemmenkanon Jesse Klaver toedichten? Zelfs al hebben ze die man tot nu toe slechts een paar keer op het journaal voorbij zien flitsen?

De trouwe hondenogen van Jesse Klaver

Toch zijn good looks belangrijk wil je stemmen trekken. Kijk maar naar Jesse Klaver. Met zijn trouwe hondenogen waarover vaak nonchalant zijn gekrulde haarlokken bungelen,  laat hij heel wat (vrouwen)harten smelten. Sommigen hebben het zelfs over de nieuwe Messias die is opgestaan. Maar what goes up, must come down. Mijn ervaring is dat politici die snel pieken, ook weer snel uit de gratie zijn, tenzij ze een goed en consistent verhaal hebben. Dat zie je bijvoorbeeld bij politici als Henk Kamp. Zin ster steeg gestaag en hij is over de langere termijn nooit erg volatiel geweest in de pop-polls.

Met een mediageniek optreden alleen, kom je er niet…

Het gaat allang niet meer over de inhoud, hoor je mensen vaak klagen. Maar om ze meteen uit de droom te helpen: ook in het oude Griekenland is het nooit anders geweest. Daar had je waterdragers die achter de schermen een mooi verhaal in elkaar schroeven en mensen die het op het plein goed konden uitleggen. Als politieke partij heb je beide soorten hard nodig, want met een mediageniek optreden alleen kom je er natuurlijk niet.

De achillespees van Mark Rutte

Het is vooral die valkuil waarin Mark Rutte dreigt te vallen tijdens de komende verkiezingen in maart. Ook al is hij is naar mijn overtuiging de meest mediagenieke premier die Nederland ooit gekend heeft, maar als je net iets te vaak je verkiezingsbeloftes niet nakomt dan boet je aan betrouwbaarheid en geloofwaardigheid in. Wie gelooft die Rutte nog, roepen zijn politieke tegenstanders dan massaal. Wellicht omdat ze beseffen dat dit zijn achillespees is bij de komende verkiezingen.

 

Wie stelt moet bewijzen

Toen ik enkele jaren geleden een Belgische premier een mediatraining gaf, vroeg hij mij hoe hij vragen als: “iedereen weet toch dat uw beleid niet goed is voor de economie van dit land”, het best kon pareren. “Niet moeilijk”, antwoordde ik hem. Zowel in het debat als tijdens een mediainterview geldt immers: wie stelt moet bewijzen. De enige uitzondering op die omgekeerde bewijslast is de Belastingdienst. Schiet dus niet meteen in de verdediging en zeg bijvoorbeeld dat je de situatie die de journalist in zijn vraag schetst niet herkent. Het is dan aan de journalist om met bijkomende bewijzen te komen. Doet of kan hij dat niet, dan heeft in dit geval niet de premier, maar de journalist een probleem.

“Ik hoor wat u zegt…”

Aan het bovenstaande moest ik als mediatrainer denken toen onlangs columniste Japke-d. Bouma op NPO-radio1 haar column voorlas. Ze zei dat als politici ergens van beschuldigd worden, dan zeggen ze vaak: “ik herken me niet in dat beeld’, of “ik heb daar een andere herinnering aan”. Andere varianten zijn: “ik hoor wat u zegt”, vooral bekend uit de mond van Bram Moszkowicz. Nog meer van dit soort zinnetjes van goed getrainde politici hierop zijn: “die uitspraak is voor uw rekening” of kort maar krachtig: “dat zijn uw woorden.” 

Wapenen tegen vraagvalkuilen

Net als Japke-d. Bouma in haar column hebben ook veel journalisten er de gruwelijke pest over in dat mediatrainers hun cliënten tegen dit soort vraagvalkuilen wapenen en dat is maar goed ook. Het is niet fair van een journalist om zonder speciale aanleiding iets in een vraag te insinueren wat niet aan de orde is. Dit met als doel zijn gesprekspartner op het verkeerde been te zetten.
Mijn tip aan mijn cliënt de premier bleek trouwens uitstekend te werken, want kort daarop kreeg hij in het Vlaamse tv-programma Terzake een insinuerende vraag in de trant van: “iedereen weet toch dat de verhoging van het inschrijvingsgeld voor universiteiten het onderwijsniveau in België op een achterstand zal brengen.”
Hierop antwoordde hij: “In uw vraag insinueert u dat dit zo is, maar waar baseert u deze veronderstelling op?” De journalist gaf zich niet meteen gewonnen en probeerde de premier te overbluffen door eraan toe te voegen: “sorry meneer de premier, maar ik ben degene die hier de vragen stelt en u bent degene die verondersteld wordt om die te beantwoorden.” 
Maar ook die reactie hadden we tijdens de mediatraining voorbereid. Op een vriendelijke doch dringende toon volhardde de premier in zijn standpunt en verduidelijkte dit door te zeggen: “sorry meneer de journalist, u kunt dit wel in uw vraagstelling suggereren, maar op basis van welke feiten berust die stelling die in uw vraag ligt? Ik vind toch dat ik op z’n minst het recht heb om dat te weten?”

Gratuite aannames in een vraag moet je niet zomaar accepteren

De journalist besefte dat de premier hier een punt had en dat die niet van plan was om te accepteren dat hij gratuite allerlei aannames als feitelijke juistheden in zijn vraag zou kunnen meenemen. Of zoals ik altijd pleeg te zeggen tijdens mediatraining en debattraining: “wie stelt, moet bewijzen…” 
Onthoud daarom één ding. In ons land is er maar één beroepsgroep en instantie die zich mag bedienen van een omgekeerde bewijslast en die wordt NIET gevormd door journalisten, maar enkel en alleen door de belastingdienst…