Framen in de politiek

Mediatraining – Framen

Fairnesstaks. Letterlijk vertaald: eerlijke belasting. Wie kan daar nu tegen zijn? Deze frame gebruik ik vaak als voorbeeld tijdens mediatraining. Hij is afkomstig van de Belgische oud-premier Di Rupo. Hij was kampioen framen. Met deze prachtige communicatieve vondst slaagde hij erin om de zoveelste extra lastenverzwaring voor het bedrijfsleven verkocht te krijgen.

Door te framen geef je aan een bepaalde maatregel of gebeurtenis een andere betekenis, waardoor je er de scherpe kantjes vanaf haalt en die beter te ‘verkopen’ is. Vooral handige politici zijn daar vaak heer en meester in.

Framen verguldt de pil

Zo zullen politici nooit zeggen dat ze de belasting willen verhogen. Dat vinden de meeste kiezers immers niet leuk. Daarom spreken politici liever over hervormingen of ombuigingen. Door te framen kun je dus iets wat negatief is, wat positiever voorstellen. Framen verguldt de pil…

Framen kan echter ook andersom. Zo pleitte in Nederland Mark Rutte in de Tweede Kamer ooit voor een verlaging van de successierechten waar, hoe kan het ook anders, de socialisten natuurlijk op tegen waren. Nu zijn successierechten in feite niets meer dan belastingen die je nabestaanden moeten betalen over de erfenis. Maar net als Di Rupo is ook Rutte een goed communicator. Hij besefte dat wellicht het grootste gedeelte van de kiezers zich geen voorstelling kon maken bij het wat neutrale en afstandelijke woord Successierechten. Daarom doopte hij het woord om in Sterftaks. En toen hij vervolgens verklaarde dat het toch niet eerlijk was dat je na je dood de verdrietige nabestaanden ook nog eens extra met zo’n sterftaks gaat opzadelen, vond hij veel meer draagvlak voor zijn pleidooi.

Framen kun je ook in beelden doen

Framen kun je niet alleen doen in woorden, maar ook in beelden. Zo deed ik jaren geleden als mediatrainer mee aan een grote crisisoefening van een onderneming in de buurt van Londen. Aangezien volgens het draaiboek de brandweer prima werk had geleverd zou ook de brandweercommandant voor de camera een verklaring afleggen. De man zag er onberispelijk uit alsof hij net uit bad kwam. Maar om het allemaal een wat meer hands – on – karakter te geven stak hij zijn vingers in een rijkelijk gevulde asbak waarna hij wat asstrepen op zijn gezicht en helm aanbracht. Hierdoor leek het alsof hij regelrecht uit de vuurzee voor de camera kwam binnengestapt.

‘Crisis’ is natuurlijk geen goede frame…

Deze brandweercommandant-frame is er wellicht wat overheen. Maar door te framen kun je natuurlijk ook een juiste betekenis aan een situatie geven. Een voorbeeld: als ik mediatrainingen geef aan risicovolle bedrijven hoor ik mensen vaak zeggen dat ze naar het crisisoverleg moeten of dat het noodplan in werking is getreden. Onbewust framen ze dan die gebeurtenis naar een beeld die vaak erger is dan de werkelijkheid en dat kan en mag natuurlijk nooit de bedoeling zijn. Ik zeg dan dat ze het woord crisisoverleg beter kunnen vervangen door spoedoverleg en noodplan- door veiligheidsplan. Dat zijn veel neutralere woorden en het maakt het allemaal net ietsjes minder dramatisch.

Nu is het natuurlijk nooit de bedoeling dat je in crisissituaties de zaken moet minimaliseren, maar anderzijds moet je de zaken niet erger maken dan ze in werkelijkheid zijn. Want dat laatste is zeer zeker ook geen goede communicatie.

Voor meer informatie over mediatraining bezoek ook  MediatrainingBenelux  of onze  MEDIATRAININGTIPS

Imago: je hebt geen tweede kans om een eerste indruk te maken

Imago en Mediatraining

Je hebt geen tweede kans om een eerste indruk te maken. Daarom is de eerste indruk zo belangrijk om een goed imago neer te zetten. In die zin hebben bedrijven en mensen veel met elkaar gemeen. Het geheel aan indrukken vormt de basis van het totaalbeeld dat we over een bedrijf of een persoon hebben.

Tijdens mediatraining schenk ik daar veel aandacht aan.

Hoe komt een imago tot stand?

Bij een bedrijf komt dit beeld of imago ondermeer tot stand via zijn productcommunicatie (advertising), zijn (milieu)gedrag, de manier waarop de media erover bericht, zijn sponsoring- en donatiebeleid, het eerste contact met de telefoniste en misschien wel het belangrijkste: de manier waarop de eigen medewerkers erover denken en praten.

Belangrijk is dat al die indrukken die een buitenstaander opdoet min of meer met elkaar congruent zijn, zodat hij een positief en eenduidig beeld van het bedrijf krijgt.

Wat voor imago van bedrijven geldt, geldt ook voor mensen

Wat voor bedrijven geldt, geldt precies zo voor mensen. Als u iemand  voor de eerste keer ontmoet of op de televisie ziet, vestigt die persoon bij u een bepaalde indruk die is opgebouwd uit een aantal deelindrukken. Bijvoorbeeld of u er verzorgd uitziet, wat voor kleding u aan heeft, uw leeftijd, uw haarkleur, uw stempatroon, uw taalgebruik, uw (glim)lach, uw oogbewegingen, enzovoort.

Net als in een gigantische legpuzzel vormen al die stukjes samen het totaalbeeld dat je van iemand krijgt. Als zo’n stukje ontbreekt, of als er een stukje op de verkeerde plaats zit dan valt dat vaak buitenproportioneel op. Het is belangrijk dat je de deelnemers aan een mediatraining daar bewust van maakt.

Ben je niet grappig, ga dan niet de getapte jongen uithangen

Daarom is het ook voor politici belangrijk dat zij een synchroon en consistent beeld over zichzelf naar buiten dragen. Daarbij is niet de vraag of je al dan niet in een populair programma optreedt, maar of dat past bij jouw identiteit en imago Ben je bijvoorbeeld absoluut niet grappig en heb je daar bovenop ook nog het imago van een saaie, grijze boekhouder, ga dan niet de getapte jongen uithangen in het eerste de beste populaire programma.

Daarom is tijdens mediatraining de boodschap: blijf dicht bij jezelf. Doe je dat niet dan werkt het averechts.

imago, beeldvorming, mediatraining

Wie stelt moet bewijzen

Toen ik enkele jaren geleden een Belgische premier een mediatraining gaf, vroeg hij mij hoe hij vragen als: “iedereen weet toch dat uw beleid niet goed is voor de economie van dit land”, het best kon pareren. “Niet moeilijk”, antwoordde ik hem. Zowel in het debat als tijdens een mediainterview geldt immers: wie stelt moet bewijzen. De enige uitzondering op die omgekeerde bewijslast is de Belastingdienst. Schiet dus niet meteen in de verdediging en zeg bijvoorbeeld dat je de situatie die de journalist in zijn vraag schetst niet herkent. Het is dan aan de journalist om met bijkomende bewijzen te komen. Doet of kan hij dat niet, dan heeft in dit geval niet de premier, maar de journalist een probleem.

“Ik hoor wat u zegt…”

Aan het bovenstaande moest ik als mediatrainer denken toen onlangs columniste Japke-d. Bouma op NPO-radio1 haar column voorlas. Ze zei dat als politici ergens van beschuldigd worden, dan zeggen ze vaak: “ik herken me niet in dat beeld’, of “ik heb daar een andere herinnering aan”. Andere varianten zijn: “ik hoor wat u zegt”, vooral bekend uit de mond van Bram Moszkowicz. Nog meer van dit soort zinnetjes van goed getrainde politici hierop zijn: “die uitspraak is voor uw rekening” of kort maar krachtig: “dat zijn uw woorden.” 

Wapenen tegen vraagvalkuilen

Net als Japke-d. Bouma in haar column hebben ook veel journalisten er de gruwelijke pest over in dat mediatrainers hun cliënten tegen dit soort vraagvalkuilen wapenen en dat is maar goed ook. Het is niet fair van een journalist om zonder speciale aanleiding iets in een vraag te insinueren wat niet aan de orde is. Dit met als doel zijn gesprekspartner op het verkeerde been te zetten.
Mijn tip aan mijn cliënt de premier bleek trouwens uitstekend te werken, want kort daarop kreeg hij in het Vlaamse tv-programma Terzake een insinuerende vraag in de trant van: “iedereen weet toch dat de verhoging van het inschrijvingsgeld voor universiteiten het onderwijsniveau in België op een achterstand zal brengen.”
Hierop antwoordde hij: “In uw vraag insinueert u dat dit zo is, maar waar baseert u deze veronderstelling op?” De journalist gaf zich niet meteen gewonnen en probeerde de premier te overbluffen door eraan toe te voegen: “sorry meneer de premier, maar ik ben degene die hier de vragen stelt en u bent degene die verondersteld wordt om die te beantwoorden.” 
Maar ook die reactie hadden we tijdens de mediatraining voorbereid. Op een vriendelijke doch dringende toon volhardde de premier in zijn standpunt en verduidelijkte dit door te zeggen: “sorry meneer de journalist, u kunt dit wel in uw vraagstelling suggereren, maar op basis van welke feiten berust die stelling die in uw vraag ligt? Ik vind toch dat ik op z’n minst het recht heb om dat te weten?”

Gratuite aannames in een vraag moet je niet zomaar accepteren

De journalist besefte dat de premier hier een punt had en dat die niet van plan was om te accepteren dat hij gratuite allerlei aannames als feitelijke juistheden in zijn vraag zou kunnen meenemen. Of zoals ik altijd pleeg te zeggen tijdens mediatraining en debattraining: “wie stelt, moet bewijzen…” 
Onthoud daarom één ding. In ons land is er maar één beroepsgroep en instantie die zich mag bedienen van een omgekeerde bewijslast en die wordt NIET gevormd door journalisten, maar enkel en alleen door de belastingdienst…

Mediatraining aan politici in België en Nederland

Sinds halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw geef ik mediatraining en debattechniek aan Nederlandse en Belgische politici. Sinds die tijd passeerden twee premiers, twee ministers-presidenten en tal van ministers en parlementariers bij ons de revue. Voor het Nederlandse vakblad Communicatie dat onlangs is opgegaan in Adformatie, was dit aanleiding om met mij een gesprek te hebben over de cultuurverschillen op het vlak van communicatie tussen België en Nederland.

Mijn start in België was niet eenvoudig. Daarom noem ik me niet voor niks een bont-en-blauwe-ervaringsdeskundige. Ik ben zowat in alle culturele valkuilen gevallen waarin Nederlanders vallen die onvoldoende voorbereid in België een business willen opstarten.

Nederlandse politici omringen zich met voorlichters

Voordat ik voor Belgische poltici werkte, had ik ook al de nodige opdrachten gedaan voor Nederlandse politici op lokaal, nationaal en Europees niveau. Los van de trainingsopdrachten viel me op dat in Nederland toppolitici zich laten omringen door voorlichters, terwijl dat in België veel minder het geval is. Belgische poltici zijn niet alleen door het volk, maar ook voor de media veel gemakkelijker benaderbaar. Meermaals is het voorgekomen dat midden in een mediatraining of debattraining een journalist belde met de vraag of de desbetreffende politicus over vijf minuten een telefonische reactie op antenne wilde geven.

Een goed imago komt te voet maar vertrekt te paard

Het meteen beschikbaar zijn voor de media heeft natuurlijk voordelen: als politicus besta je vaak dankzij de media. Al je dan niet reageert dan doet de concurrentie dat wel en weg is je kans om ‘het volk toe te spreken’. Maar het nadeel is dat je op die manier weinig tijd hebt om je grondig voor te bereiden. Voor je het weet heb je dan een bok geschoten ter grootte van een olifant en vaak kost het zeeën van tijd om de fout of het gezichtsverlies te herstellen. Vandaar niet voor niks het gezegde: een goed imago komt te voet en vertrekt te paard…

Stijl van leidinggeven verschilt sterk tussen België en Nederland

Maar los van de politiek zijn ook in het Belgische bedrijfsleven de mores totaal anders als het om communicatiemanagement gaat. Communicatiemanagers bij bedrijven zijn in België eerder operationeel bezig en in Nederland strategisch. Ook rapporteren Belgische communicatiemanagers veel minder snel aan de CEO zoals in Nederland het geval is, maar aan een HR- of marketingmanager. Ook zie je dat communicatiemanagers in België wel taken gedelegeerd krijgen, maar minder snel (budget)bevoegdheden. Dat laatste heeft ook te maken met de stijl van leidinggeven die in België vaak meer control/tell is en in Nederland eerder show/support. Met andere woorden: in België (en Vlaanderen) is hiërarchie belangrijk: de baas is er de baas, terwijl in Nederland de baas vooral voorwaardenscheppend moet bezig zijn. De Nederlandse calvinistische cultuur heeft daar natuurlijk ook veel mee te maken. Meer weten daarover? In mijn boek Valse Vrienden sta ik daar uitgebreid bij stil.

Huilende politici

Kan dat eigenlijk wel, huilende politici? Die vraag krijg ik regelmatig tijdens mediatraining Zeker als een politicus/politica weer eens voor de camera in tranen uitbarst of anderszins door emoties wordt overmand. Is dit wel goed voor hun imago? Maar zoals (bijna) altijd in de Communicatie het geval is, is daar geen eenduidig antwoord op te geven. Het hangt van veel verschillende factoren af. Wel is het zo dat in vergelijking met vroeger het tonen van emoties meer geaccepteerd is, zolang ze echt en tot op zekere hoogte ook onder controle zijn. Wat in ieder geval uit den boze is, zijn geacteerde emoties. Want daar prikt de kijker snel doorheen.

Obama pinkt traantje weg

Al dan niet tonen van emoties voor de camera is ook cultuur gebonden. Toen Obama een traan weg pinkte omdat hij was gegrepen door emoties door de slachtoffers van het zoveelste vuurwapengeweld , zullen weinig Amerikanen daar aanstoot aan genomen hebben. Ik kan me echter niet voorstellen dat een Poetin zoiets ooit in Rusland zou doen.

Ging Timmermans te ver?

Ook in Nederland zijn er genoeg voorbeelden van politici die worden overmand door emoties. Denk maar aan Frans Timmermans na het neerhalen van de MH17. Aanvankelijk was heel Nederland vol begrip over de emoties die hem parten speelden. Maar het keerde zich tegen hem toen hij er net teveel drama in legde door tijdens het tv-programma Pauw te vertellen dat er iemand gevonden was met een zuurstofkapje op. Dit stond haaks op eerdere berichtgeving dat de slachtoffers niet in angst hebben verkeerd en wellicht meteen bewusteloos dan wel op slag dood waren.

Timmermans realiseerde zich dat hij was te ver gegaan. Hem restte niets anders dan het boetekleed aan te trekken. Maar intussen was het kwaad geschied. Veel mensen hadden plotseling twijfels over de professionaliteit waarmee Timmermans tot dan toe met die emoties was omgegaan. Maar ook rezen er twijfels of die emotie wel echt was en dat Timmermans er m.a.w. ook voor zichzelf zat.

Natuurlijk moeten bij rampen als de MH17 politici vooral feitelijk en zakelijk blijven. Maar vandaag de dag mogen in onze contreien politici in vergelijking met vroeger best wel hun emotie laten zien. Doe het echter wel met mate. Zo was de ooit razend populaire Vlaamse politicus Bert Anciaux voor de camera net iets te vaak emotioneel overmand, wat hem de bijnaam Bert de Blèter opleverde. Een imago waar hij tot op de dag van vandaag mee achtervolgd wordt.

Conclusie: emoties tonen voor de camera mag. Politici mogen ook best een traantje wegpinken zeker als die emotie echt is. Maar doe het niet te vaak. Ga ook niet ongegeneerd voor de camera staan te snotteren. Dan kom je over als een politicus die te gemakkelijk de controle kwijt is. En wie wil daar nu op stemmen?